ADHD komt bij slechts 1% van de allochtonen voor. Dit verschil komt doordat er sprake is van onderdiagnostiek; niet alle gevallen worden ontdekt. De oorzaak van het geringe aantal diagnosen is de taalbarrière en culturele verschillen. Daarnaast is de kennis van ADHD onder allochtonen gering.
In andere culturen wordt de opvoeding van kinderen bekeken vanuit de hele gemeenschap. Er wordt dus gemakkelijk kritiek geuit naar met name de moeder, die het kind probeert op te voeden met respect voor ouderen en goede omgangsvormen. Dit gebeurt nog vaker als de moeder werkt, ze hoort immers voor een goede opvoeding te zorgen. Als gevolg van de schaamtecultuur heeft men liever niet dat anderen zien dat er iets mis is in het gezin. Een leerkracht die druk gedrag signaleertkan dus op weerstand stuiten bij de ouders. In enkele gevallen schrijft de leerkracht zelf de problemen toe aan de cultuurverschillen.
De weg naar de hulpverlening is door de taalproblemen lastiger. Daar komt bij dat niet-westerse patienten hun klachten vaak anders formuleren. De psychische klacht wordt niet genoemd, maar de bijbehorende fysieke symptomen, zoals hoofdpijn.