Na de signalering

Eerste indruk

De eerste indruk zou na de signalering kunnen zijn dat er sprake is van ADHD. Maar dat hoeft zeker niet altijd het geval te zijn, ook al doen de waargenomen symptomen dit vermoeden.

De concentratieproblemen kunnen door tal van andere factoren veroorzaakt worden. Ook beweeglijkheid en impulsiviteit kunnen een andere oorzaak hebben dan ADHD.

Vermoedens

Men kan verschillende vermoedens (hypotheses) hebben met betrekking tot de oorzaak (oorzaken) van het gesignaleerde gedrag. Andere vermoedens zouden kunnen zijn dat de leerling overvraagd wordt en dat er niet wordt aangesloten bij zijn mogelijkheden.

Deze verschillende hypotheses vragen steeds om een ander onderzoek. De volgende vragen kunnen als mogelijke ‘beslisboom’ fungeren.

Beslisboom

  1. Is er sprake van een specifiek leerprobleem of leerstoornis (bijvoorbeeld dyslexie)?
    Voer indien nodig gericht onderzoek uit, of biedt gerichte hulp.
  2. Wanneer dit geen verbetering tot gevolg heeft, ga dan na of de leerling beschikt over adequate en efficiënte leersstrategieën. Weet de leerling hoe hij een taak aan moet pakken?
  3. Ga na of de manier van lesgeven door de leerkracht van invloed is. Gaat de leerkracht in op de taakbeleving van de leerling? Vraag de leerling en kijk kritisch naar het leerkrachtgedrag.
  4. Wordt de leerling gestoord vanuit de leeromgeving?
  5. Hoe is het met de lichamelijke conditie van de leerling? Denk eens aan vermoeidheid of misschien heeft het kind een ziekte onder de leden.
  6. Is de emotionele gesteldheid van de leerling een reden voor de concentratiebelemmeringen? Het kan best zijn dat een kind onder spanning als gevolg van de thuissituatie of met medeleerlingen. Denk eens aan gepeste leerlingen.

Vragenlijst omgevingsfactoren

Om zicht te krijgen op mogelijke omgevingsfactoren die het concentratievermogen van de leerling in negatieve zin kunnen beïnvloeden kan gebruik gemaakt worden van de vragenlijst omgevingsfactoren concentratie.

»Vragenlijst omgevingsfactoren (.doc)

Verkorte CTRS-Lijst
Mocht blijken dat de hier genoemde factoren niet echt duidelijk van invloed zijn op het functioneren van de leerling, dan kan men besluiten tot een meer gerichte observatie om het vermoeden ADHD te onderbouwen. Geadviseerd wordt om gebruik te maken van de Verkorte CTRS- lijst.

»Verkorte CTRS-lijst (.doc)

Tijdsteekproefformulier Om zicht te krijgen op de ernst van de zwakke taakwerkhouding en de concentratieproblematiek kan een gerichte observatie uitgevoerd worden met een zogenaamd tijdsteekproef-formulier.

»Tijdsteekproefformulier (.doc)

De uitkomsten van de hier beschreven mogelijkheden kunnen aanleiding zijn tot een sterk vermoeden van ADHD. De diagnose ADHD kan uitsluitend door een gespecialiseerde kinderarts, kinderpsychiater, kinderpsycholoog of kinderneuroloog gesteld worden. Hoe de diagnose ADHD verder tot stand komt, komt in Diagnostiek aan de orde.

Diagnostiek

 Grote belangstelling
Door de grote belangstelling voor ADHD wordt de term steeds bekender. In de volksmond wordt dan ook vaak de term Alle Dagen Heel Druk vaak gebruikt.

Op grond van druk gedrag krijgen kinderen al snel het etiket ADHD opgeplakt.

Diagnosisch onderzoek
AD(H)D kan echter alleen worden vastgesteld door middel van een nauwkeurig en uitgebreid diagnostisch onderzoek door een gespecialiseerde kinderarts, kinderpsychiater, kinderpsycholoog of kinderneuroloog al of niet in teamverband.

Een diagnostisch onderzoek is te zien als een procedure om inzicht te krijgen in de mate waarin de verschillende factoren (biologische, psychische, interactionele en omgevingsfactoren) een bestaande ontwikkelingsstoornis hebben veroorzaakt, dan wel instandhouden.

Onderscheid
Bij de diagnostiek van ADHD maakt men onderscheid tussen:

  • een algemeen onderzoek, is er nu wel of niet sprake van ADHD;
  • een uitgebreid onderzoek dat zich richt op de ernst van de ADHD-problematiek.

Algemene onderzoek Tijdens het algemene onderzoek maken de verschillende specialisten gebruik van een gestandaardiseerde vragenlijst uit het internationaal classificatiesysteem van alle psychische stoornissen, de DSM-IV . De belangrijkste gedragskenmerken van ADHD staan in dit classificatiesysteem vermeld.

DSM-IV

DSM-kenmerken Het doorlopen van de DSM-kenmerken alleen is niet voldoende om de diagnose ADHD te kunnen vaststellen. Hiervoor is een uitgebreid onderzoek noodzakelijk. Een uitgebreid onderzoek bestaat uit:

  • oudergesprekken over het probleemgedrag en over de ontwikkelingsgeschiedenis van het kind;
  • gesprek met het kind zelf;
  • gedragsobservatie;
  • afname van gestandaardiseerde gedragsvragenlijsten bij ouders en leerkrachten;
  • indien noodzakelijk: lichamelijk, neurologisch, psychologisch of (ortho)pedagogisch onderzoek.