Diagnostiek

 Grote belangstelling
Door de grote belangstelling voor ADHD wordt de term steeds bekender. In de volksmond wordt dan ook vaak de term Alle Dagen Heel Druk vaak gebruikt.

Op grond van druk gedrag krijgen kinderen al snel het etiket ADHD opgeplakt.

Diagnosisch onderzoek
AD(H)D kan echter alleen worden vastgesteld door middel van een nauwkeurig en uitgebreid diagnostisch onderzoek door een gespecialiseerde kinderarts, kinderpsychiater, kinderpsycholoog of kinderneuroloog al of niet in teamverband.

Een diagnostisch onderzoek is te zien als een procedure om inzicht te krijgen in de mate waarin de verschillende factoren (biologische, psychische, interactionele en omgevingsfactoren) een bestaande ontwikkelingsstoornis hebben veroorzaakt, dan wel instandhouden.

Onderscheid
Bij de diagnostiek van ADHD maakt men onderscheid tussen:

  • een algemeen onderzoek, is er nu wel of niet sprake van ADHD;
  • een uitgebreid onderzoek dat zich richt op de ernst van de ADHD-problematiek.

Algemene onderzoek Tijdens het algemene onderzoek maken de verschillende specialisten gebruik van een gestandaardiseerde vragenlijst uit het internationaal classificatiesysteem van alle psychische stoornissen, de DSM-IV . De belangrijkste gedragskenmerken van ADHD staan in dit classificatiesysteem vermeld.

DSM-IV

DSM-kenmerken Het doorlopen van de DSM-kenmerken alleen is niet voldoende om de diagnose ADHD te kunnen vaststellen. Hiervoor is een uitgebreid onderzoek noodzakelijk. Een uitgebreid onderzoek bestaat uit:

  • oudergesprekken over het probleemgedrag en over de ontwikkelingsgeschiedenis van het kind;
  • gesprek met het kind zelf;
  • gedragsobservatie;
  • afname van gestandaardiseerde gedragsvragenlijsten bij ouders en leerkrachten;
  • indien noodzakelijk: lichamelijk, neurologisch, psychologisch of (ortho)pedagogisch onderzoek.

Co-morbiditeit

ADHD is een ontwikkelingsstoornis, die maar in 30% van de gevallen helemaal op zichzelf staat, zonder bijkomende problematiek. Dat betekent dus dat een kind met ADHD er meestal een ander probleem bij heeft. In 60% van de gevallen zelfs twee problemen. Deze bijkomende aandoeningen noemen we co-morbiditeit.

Co-morbiditeit houdt dus in dat het beeld dat men van het kind krijgt niet ‘slechts’ de symptomen van ADHD laat zien, maar dat er ook andere symptomen waar te nemen zijn. Het kan dus voorkomen dat meerdere stoornissen gelijktijdig bij een kind aanwezig zijn. Het blijkt dat ADHD vaak samengaat met oppositionele gedragsstoornissen, stemmingsstoornissen, motorische onhandigheid, dyslexie, ticstoornissen, autisme en angststoornissen.

Uit bevolkingsonderzoek blijkt dat ADHD in wisselende frequentie kan overlappen met één of meerdere co-morbiditeiten.